door het Nederlands Instituut voor Filmeducatie
Voordat je een film in de bioscoop of op de televisie ziet, is er een heleboel werk verzet, door heel veel verschillende mensen. Het maken van een film is teamwork, en bestaat uit globaal vijf fasen, te weten ontwikkeling, pre-productie, productie, post-productie en distributie.
In de ontwikkelingsfase wordt een idee van een regisseur of producent uitgewerkt tot een scenario (filmverhaal). Dat gebeurt in verschillende stappen. Eerst wordt er een synopsis gemaakt, waarin het thema en de onderliggende boodschap kort staan beschreven. Het treatment is hiervan een uitwerking in de vorm van het verhaal en de karakters. In het uiteindelijke scenario worden ook nog dialogen en regieaanwijzingen opgenomen.
Stanley Kubrick kocht in 1982 de filmrechten voor het korte verhaal Supertoys Last All Summer Long van Brian Aldiss. Zeventien jaar werkte hij aan de ontwikkeling ervan, tot zijn dood in 1999. Toen overhandigde Jan Harlan, Kubricks schoonbroer en producent van veel van diens films, het 80-90 pagina’s tellende scenario en meer dan duizend tekeningen aan Steven Spielberg. Die pakte de job meteen op, zodat Artificial Intelligence in 2001 toch nog kon verschijnen.
Als het scenario is afgerond, is het zaak de financiering van de film rond te krijgen. Daarna kan de pre-productie fase beginnen. Van het scenario wordt meestal een storyboard gemaakt, een soort stripverhaal van alle beelden die de regisseur wil laten zien om het verhaal te vertellen. Daarnaast wordt er een productiebedrijf opgezet, dat de cast en crew inhuurt. De cast bestaat uit de acteurs die de verschillende rollen in de film vervullen, de crew uit alle andere mensen die aan de film meewerken.
In de productiefase vinden de opnamen plaats. Dat gebeurt met behulp van een draaiboek, dat de planning bevat van de filmopnamen in een bepaalde volgorde. Deze is, vanuit praktisch oogpunt, bijna altijd anders dan de volgorde waarin de scènes in het scenario vermeld staan. Samen met cast en crew verfilmt de regisseur, die het opnameproces leidt, zo stap voor stap het verhaal.
Behalve de regisseur zijn de cameraman (ook wel director of photography) en de art director in deze fase belangrijk.
De artdirection omvat alles wat je in beeld ziet. Het is te vergelijken met wat zich in een toneelstuk op het podium bevindt. Zaken als decors, kleding en voorwerpen helpen je het verhaal te plaatsen. De art director denkt in opdracht van de regisseur na over:
- filmsets, de plaatsen waar gebeurtenissen van de film zijn opgenomen. Dit kunnen bestaande locaties zijn (binnen of buiten), studiolocaties of virtuele locaties die met de computer zijn gemaakt.
- rekwisieten, alle losse voorwerpen, zoals meubels, revolvers en sportwagens, die nodig zijn om een filmset in te richten.
- kostuums(in samenwerking met de kostuumontwerper), kleding en make-up van acteurs die passen in de stijl en sfeer van de film. Ze moeten aangepast zijn aan de historische tijd waarin het filmverhaal zich afspeelt.
De Duitse regisseur Werner Herzog staat erom bekend het liefst op locatie te draaien. Voor klassiekers als Aguirre, Zorn des Gottes (1972) en Fitzcarraldo (1982) en ook Rescue Dawn (2006) dook hij de jungle in, waar hij zijn cast en crew diverse ontberingen liet doorstaan. Zo moest in Fitzcarraldo echt een boot een berg worden opgesleept, om het verhaal over een manische operaliefhebber met bouwplannen voor een operahuis middenin het oerwoud kracht bij te zetten.
De cameraman bepaalt, in samenwerking met de regisseur, hoe het verhaal in beeld wordt gebracht. Hij is verantwoordelijk voor:
- de kadrering, zijn dingen van dichtbij of van veraf te zien? In een groot totaal kader bijvoorbeeld zijn personen nauwelijks zichtbaar, dit wordt gebruikt om landschappen of grote ruimtes te tonen. Een close-up zoomt juist in op details, zoals gezichten van mensen. Tussen deze twee uitersten zijn verschillende andere manieren van kadrering denkbaar, te weten een totaal kader, medium kader of medium close-up.
- camerastandpunten –en beweging. Objecten kunnen vanuit verschillende hoeken (standpunten) worden gefilmd, bijvoorbeeld van schuin onder (kikvorsperspectief) of schuin boven (vogelperspectief). Ook kan de camera in verschillende richtingen bewegen, bijvoorbeeld van laag naar hoog (tilt) of achter een object aan (dolly).
- de lengte van de shots. Een shot is een filmopname waarin niet gemonteerd is. Shots kunnen heel kort zijn, zoals in de meeste videoclips, maar ook heel lang duren. Een serie van shots vormt een scène.
Digitale camera’s maken veel langere shots mogelijk dan traditionele filmcamera’s. Zo zag Alfred Hitchcock zich in 1948 bij het maken van Rope beperkt tot een shotlengte van tien minuten (zo lang was één filmwiel in die tijd). De Russische regisseur Aleksandr Sokurov draaide Russian Ark (2002) met een digitale Steadicam, waardoor hij de film kon schieten in één negentig minuten durend shot.
De post-productie fase staat grotendeels in het teken van de montage van de film. Hierin worden de gefilmde shots uitgezocht, op lengte geknipt en in de juiste volgorde geplakt.
De editor – degene die monteert – en de regisseur kiezen voor een bepaalde manier van monteren. Zij letten op:
- het tempo waarin de shots elkaar opvolgen;
- de samenhang tussen de uitgezochte shots;
- de manier waarop de shots aan elkaar geplakt zijn. Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden:
- een harde overgang (cut), een directe beeldovergang;
- een invloeier (fade in), het langzaam opkomen van een beeld uit een zwart beeld;
- een uitvloeier (fade out), het langzaam verdwijnen van een beeld in een zwart beeld;
- een overvloeier (dissolve), twee beelden gaan in elkaar over, waarbij het eerste verdwijnt met een fade out en het tweede verschijnt met een fade in;
- een wipe, het eerste beeld wordt ‘weggeveegd’ door het tweede beeld.
In de jaren ’20 van de vorige eeuw voerde de Russische regisseur Lev Kuleshov een beroemd geworden experiment uit. Hij liet een beeld van het uitdrukkingsloze gezicht van een acteur opvolgen door verschillende andere beelden, zoals een dode baby en een bord soep. Wat bleek? Afhankelijk van de relatie, interpreteerde het publiek de beelden anders. De dode baby zorgde voor de associatie van verdriet bij de acteur, het bord soep voor honger. Dit montage-effect is de geschiedenis ingegaan als het ‘Kuleshov’-effect, en wordt tot de dag van vandaag in vrijwel alle films gebruikt.
Als de beelden gemonteerd zijn, gaat de film naar de geluidsafdeling. Daar worden de dialogen en het geluid dat bij de gebeurtenissen hoort, zoals een aankomende trein, synchroon gemonteerd bij de beelden. Ook wordt er muziek toegevoegd, bijvoorbeeld om de spanning te verhogen.
In de distributiefase komt de film naar het publiek. De eerste plaats waar films doorgaans te zien zijn, is de bioscoop. Daarop volgt een uitbreng op dvd, waarna de film aan een televisiestation verkocht wordt voor uitzending op televisie.
Steeds vaker vinden producenten en distributeurs het belangrijk dat hun film ook wordt vertoond voor educatieve doeleinden. Tijdens de opnamen wordt daar soms al rekening mee gehouden. Bijvoorbeeld door extra opnamen te maken achter de schermen.
Nederland kent een rijke traditie op het gebied van filmeducatie die al begon in 1912 met de oprichting van de Maatschappij voor Wetenschappelijke Cinematografie. Daaruit ontstond eigenlijk het eerste grote Nederlandse filmproductiebedrijf, Filmfabriek Hollandia. Vandaag de dag is filmeducatie ook verbonden met het onderwijs over andere media. Het leren begrijpen en maken van film helpt om mediawijs te worden. Jaarlijks nemen nu meer dan 250.000 kinderen en jongeren deel aan educatieve programma’s door het hele land.